| |
 |
Voor- en vroegschoolse educatie (VVE)
De Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), maakt deel uit van het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid (GOA). Dit is weer onderdeel van het landelijke Algemeen Onderwijskwaliteitsbeleid en Jeugdbeleid.
Het Algemeen Onderwijskwaliteitbeleid en Jeugdbeleid is erop gericht dat alle kinderen en jongeren van Nederland zo goed mogelijk en overeenkomstig hun capaciteiten, zijn toegerust voor deelname aan de samenleving. Voor sommigen van hen is dat moeilijker te realiseren dan voor anderen. Hierin spelen sociale, economische en culturele factoren een rol.
GOA
Het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid richt zich op kinderen en jongeren die kampen met sociale, economische en culturele achterstand en wil ongelijkheid structureel aanpakken. Het GOA beoogt verbetering van hun leerprestatie en schoolloopbaan. Een van de kwalificatiedoelen van het GOA is dat deze kinderen bij de aanvang van het leesonderwijs op de basisschool (groep 2 tot 4) voldoende zijn toegerust voor het behalen van een succesvol resultaat. Het inhoudelijke doel van het beleid is dat zij de Nederlandse taal voldoende leren te beheersen.
Om de positie van de kinderen structureel te verbeteren werken de betreffende gemeentes vanaf 2002, met subsidie van het Rijk, gedurende vier jaar aan een aantal vastgestelde doelen. Deze zijn als voorwaarden gekoppeld aan de Rijksbijdrage. Een van deze doelen is dat op 1 augustus 2006 minstens 50 % van de kinderen van 3 tot 6 jaar in een achterstandsituatie moet deelnemen aan de VVE.
Beginnende geletterdheid
Taal speelt de hoofdrol in de VVE en dus in alle methodes die we hier bespreken. Daarin komt regelmatig terug dat het stimuleren van de beginnende geletterdheid belangrijk is. Dat wil zeggen dat we de interesse in taal en lezen opwekken, en dat is weer belangrijk voor de verdere educatie van het kind.
Beginnende geletterdheid houdt in dat het kind
notie krijgt dat er boeken bestaan;
ervaart dat er op een abstracte wijze verhalen instaan (namelijk in geschreven vorm)
merkt dat deze letters gelezen kunnen worden en
dat hiervoor regels bestaan (bijvoorbeeld van links naar rechts, in ons westers alfabet) en
dat begeleidende illustraties nauw verwant zijn aan het geschreven woord.
De bibliotheek als partner
Het stimuleren van beginnende geletterdheid kan niet zonder (voor)lezen en dus niet zonder boeken. Het spreekt voor zich dat, behalve de leid(st)er en leerkracht, ook de bibliotheek en de bibliothecaris hierin een rol spelen. Behalve de reguliere activiteiten die de leid(st)er uitvoert met (prenten)boeken, horen kinderen de kans te krijgen om zelf met prentenboeken aan de slag te kunnen. VVE- methodes adviseren daarom een hoek van de klas in te richten als klassenbibliotheek. Een aantal van de methodes werkt thematisch en de thema’s moeten in de klassenbibliotheek terug te vinden zijn. Themaboeken zullen regelmatig geruild moeten worden voor boeken met andere thema’s. Hier ligt een uitgesproken mogelijkheid tot samenwerking met de openbare bibliotheek, want die heeft tenslotte een gevarieerde keuze aan (prenten)boeken en ander (voor)leesboeken. Het ligt dan ook voor de hand dat peuter- en kleuterleid(st)ers de weg naar de openbare bibliotheek nemen. De bibliothecaris kan zelf zijn/haar diensten aanbieden aan een VVE-instelling bij u in de buurt.
|
|
|
|