



Startblokken, deel:
Voor wie?
Startblokken is een pedagogisch plan, toegespitst op kinderen van 2 tot 4 á 5 jaar en leid(st)ers die met hen werken in peuterspeelzalen en de beginperiode in de basisschool.
Doel
Startblokken richt zich op de persoonlijke en brede ontwikkeling van kinderen. Motivatie en emotionele ontwikkeling (zelfvertrouwen en welbevinden bijvoorbeeld) spelen een belangrijke rol.
Uitgangspunten
Het plan gaat uit van een aantal ideeën rondom de functie en rol van het onderwijs: de bouwstenen. Startblokken is geen traditionele methode en biedt geen kant en klare, vaste thema's. Integendeel: het plan stelt de ontwikkeling van het kind centraal en biedt het de mogelijkheid zelfsturend aan zijn ontwikkeling mee te doen. Dat wil zeggen dat de leid(st)er een aanbiedende en geen opleggende rol speelt waarin de kernactiviteiten belangrijk zijn.
De volwassene is opzettelijk bezig om het kind verder te brengen in zijn ontwikkeling. Het moet worden uitgedaagd tot wat het nog net niet kan, want een kind leert het meeste in een zone van naaste ontwikkeling. Hierbij is belangrijk dat de leid(st)ers actief ‘meespelen’.
Een observatiesysteem HOREB maakt deel uit van het plan.
De bouwstenen
Het onderwijs onderneemt systematische pogingen om de ontwikkelingsmogelijkheden waarover kinderen al beschikken, optimaal te benutten en uit te breiden.
Het onderwijs streeft een brede persoonsontwikkeling na, die mede door het leren van kennis en vaardigheden tot stand komt.
Het onderwijs is gericht op deelname aan sociaal-culturele activiteiten die voor kinderen persoonlijk zinvol zijn en die betekenis voor hen hebben en/of kunnen gaan krijgen
.
Het onderwijs steunt op het aandeel van leerkrachten die zich als partner van kinderen opstellen, helpen bij de uitvoering van activiteiten en zo bemiddelen tussen behoeften en betekenissen van kinderen aan de ene kant en cultuuroverdracht aan de andere kant.
De kernactiviteiten
Kernactiviteiten moeten ervoor zorgen dat het kind zich thuis gaat voelen en dat er vertrouwen ontstaat tussen hem/haarzelf en de rest van de groep, waar ook de leid(st)er bij hoort. De leid(st)er moet deze kernactiviteiten in de gaten houden.
Drie uitgangspunten stellen de kernactiviteiten vast: het moet betekenisvol (herkenbaar), en ontwikkelingsbevorderend (zone van naaste ontwikkeling) zijn, en gezamenlijk(volwassene en kinderen) uit te voeren zijn. Denk voor peuters aan kernactiviteiten zoals
spel, bewegingspel, rollenspel en manipulerend spel
constructief spel
activiteiten met verhalen, boeken en teksten
Voor de kleuters zijn dat
spelen
spreken
lezen en schrijven
rekenen en wiskunde